|
U bent nu in: Historie |
|
De historie van Zeilberg door Jan v.d. Mortel Vroeger heette het “Den Zeylbergh”, op het naambord staat “Zeilberg” en een echte Zeilbergenaar zegt meestal: “De Zaailberg”. Waar de naam vandaan komt kan niemand u met zekerheid
vertellen, maar in de loop der jaren zijn er heel wat verklaringen verzonnen. Zo dachten sommigen dat het iets te maken had met
zeilboten die vroeger door de uitlopers van de Maas voeren en afmeerden aan een of andere heuvel. Anderen zagen een verband met “zill”, een bepaalde steensoort die nu nog te vinden is in het
witte zand van den Hanenberg. Weer anderen dachten dat het gehucht ooit eigendom
geweest is van een kwartierschout, Van den Zeylbergh genaamd, en dat daar de naam van afgeleid is. De meest logische verklaring werd echter gevonden met landkaart en het woordenboek der Noord- en
Zuid-Nederlandse plaatsnamen van dr. J. de Vries in de hand: een “zeyl” was vroeger een waterafloop en aangezien het gehucht op een heuvel lag, omringd door drassige gebieden als de Breemortel,
Kranenmortel, Meitmortel en Berkmortel (het woord “mortel” werd toen gebruikt om drassige grond aan te duiden) was Zeylbergh een zeer toepasselijke naam voor deze plek. De tot op heden oudste vermelding van Zeilberg stamt al uit het jaar 1384 . In
de schepenprotocollen(registers van het gemeentebestuur) van
,s Hertogenbosch wordt Zeilberg al vermeld als “land die Zeylberch”. In 1425 huwde Bartholomeus Maes Bruynen
met Maria Willems van den Zeylsberch. Waarschijnlijk komt deze jongedame Maria uit het gehucht dat tegenwoordig Zeilberg wordt genoemd. Omstreeks 1600 kreeg Zeilberg meer bekendheid toen een
aantal pottenbakkers, aangetrokken door de mooie rode potaarde in de grond, zich op den Hanenberg vestigde om daar hun beroep uit te oefenen. Vijftig jaar later kon gesproken van een bloeiend
bedrijf: de Zeilbergse potten waren tot in de wijde omtrek bekend en zeer gewild. Het tij keerde echter met de komst van de steen- en
plavuizenbakkers, die veel meer grondstof nodig hadden en deze uit dezelfde putten haalden als de pottenbakkers. Een verzoek aan de heer van Deurne om hier een eind aan
te maken haalde niets uit. De putten raakten snel leeg en de meeste pottenbakkers zochten hun heil elders of stapten over op een ander beroep. Bij enkelen draaide de schijf echter nog generaties
lang door. In één familie zelfs tot 1917. Een tastbare herinnering aan drie eeuwen pottenbakken in Zeilberg is het beeld van de pottenbakker dat voor het gemeenschapshuis staat. Een ander beeld dat een stukje geschiedenis van
Zeilberg vertelt, is dat van de peelwerker op het plein aan de Zeilbergsestraat. Rond 1860 begon men de veengronden van de Peel op grote schaal af te graven. Van heinde en verre kwamen mensen naar
de Peel in de hoop hier een boterham te verdienen; Zeilberg groeide. De mannen werkten als turfsteker, de kinderen deden het sjouwwerk, zodat vader onafgebroken kon doorgraven. Hij werd immers
betaald naar de hoeveelheid turf die hij stak. Ook de vrouwen werkten mee totdat de geestelijkheid dit in het begin van de 20e eeuw verbood. Volgens hen ‘lagen de zonden in de Peel net
zo hoog opgestapeld als de turf’. Enkele peelwerkers slaagden erin om wat van het met turfsteken verdiende geld opzij te leggen en een stukje heidegrond van de gemeente te kopen. De schaarse uren die ze niet in de Peel doorbrachten
werden besteed aan het opzetten van een eigen landbouwbedrijfje. Ondertussen groeide het verlangen om een zelfstandige
parochie te worden. In 1895 togen drie Zeilbergenaren, compleet met een
zelf getekende landkaart van “Den Zeylbergh”, naar de bisschop van Den Bosch. Het kostte niet veel moeite om hem te overtuigen van de noodzaak van een eigen kerk, maar het geld was een
probleem. De Zeilbergenaren hadden het niet en de gemeente Deurne
weigerde het te geven. Pas toen de kerk en de scholen in Deurne overvol raakten, was men bereid om het geld beschikbaar te stellen. Na zeventien jaar touwtrekken kreeg Zeilberg niet alleen een
eigen kerk, maar ook een jongensschool, een meisjesschool en een klooster. Het gehucht was een zelfstandige parochie geworden. In de jaren die daarop volgden ontwikkelde Zeilberg
zich tot een bloeiende gemeenschap. Al snel was er een fanfare, enkele jaren later gevolgd door een voetbalclub. E
woningbouwvereniging zette haar eerste huizen. Na de tweede wereldoorlog schoten de verenigingen als paddestoelen uit de grond. In de jaren vijftig en zestig werd de dorpskern verschillende wijken
rijker. Er kwam een nieuw gemeenschapshuis. Langzaamaan werd ook de grond tussen Zeilberg en Deurne
vol gebouwd en tenslotte werden de naamborden vervangen door die van Deurne, dit tot grote ergernis van vele Zeilbergenaren. Groot was dan ook hun vreugde toen ze bij het 75-jarig bestaan van de
parochie, dat op grootse wijze gevierd werd, van de gemeente Deurne een zeer toepasselijk geschenk kregen: “Het schônste plèkske” had haar eigen naambord terug. Dit zijn slechts enkele feiten uit de geschiedenis van Zeilberg. We hebben niets
gezegd over het tafelen, het stropen, de Klaroen van Klotland, verhuizen in vroegere jaren, het oorlogsmonument aan de Hanenberg en ga zo maar door. We hebben niet verteld hoe de mensen elkaar
hielpen in de moeilijke tijden van weleer. En dan de talloze leuke, komische en vaak ook ontroerende verhalen achter de feiten. Die kun je niet in een paar bladzijden beschrijven. Maar och, als u
hier al een tijd woont kent u ze vast wel. En als dat niet het geval is, vraag er dan naar. Velen
zijn graag bereid u te vertellen over “ ’t schônste plèkske
in de Peel”, dat officieel “De Zeilberg” heet.
|
H i s t o r i e |
|
|
|